Algemeen

Het afval hoopt zich snel op nu de afvalverbrander van Amsterdam grotendeels stilligt. De twaalf andere vuilverbranders in Nederland zitten vol, onder meer met goedbetaald buitenlands afval. In de hiërarchie van afvalverwerking staat storten op de laagste plaats. Storten is 25 keer slechter voor het milieu als verbranden en ook zonde: restafval in de fik steken levert bruikbare elektriciteit en warmte op. Daarom moet worden voorkomen dat brandbaar afval op een vuilnisbelt belandt.

Johan van Heerde schrijft in dagblad Trouw dat er nu per week twintig vrachtwagens met 800 ton brandbaar restafval naar stortplaatsen van Afvalzorg in Noord-Holland en Flevoland rijden. Die noodmaatregel is ingesteld vanwege de problemen waarmee afvalverbrander AEB in Amsterdam kampt. Daar staan sinds 5 juli vier van de zes verbrandingsovens uit vanwege veiligheidsproblemen ontstaan door achterstallig onderhoud. Reparatie duurt zes tot negen maanden.

Storten van afval werd door de gemeente Amsterdam, de enige aandeelhouder van AEB, gepresenteerd als tijdelijke oplossing voor het afvaloverschot. Maar een antwoord op het probleem is het niet. De komende maanden moet ruim 700.000 ton afval, dat bij AEB niet terecht kan, elders worden verwerkt. Afvalzorg heeft een vergunning voor het storten van hooguit 16.000 ton restafval. Directeur Bert Krom van Afvalzorg waarschuwde daarom deze week voor de camera van Omroep Flevoland: “Als er niet snel een definitieve oplossing komt dan blijft er denk ik afval in de straat liggen.”

Paniek is er ook vanwege de 250 ton slib die de regio Amsterdam dagelijks produceert. Het plaatselijke Waternet legt bij de haven in allerijl een depot aan voor de stinkende drek die overblijft na rioolwaterzuivering. Normaal wordt het spul gedroogd en verbrand bij AEB. Nu eindigt het in de open lucht, waar het later – binnen een jaar – weer moet worden weggegraven. Volgens Waternet is deze situatie bijzonder onwenselijk, er moet een structurele oplossing komen.

De problemen in Amsterdam tonen aan dat de Nederlandse afvalbranche niet bestand is tegen een calamiteit van deze grootte. Een zesde van het afval dat in Nederland wordt verbrand, belandt in de ovens van AEB. Andere verbranders kunnen al dat afval niet even overnemen. Continuïteit is in de sector het codewoord. De dertien vuilverbranders in Nederland willen 24 uur per dag draaien, zeven dagen per week, zodat de levering van energie constant is. Afvalstromen worden daar met lange contracten op afgestemd. Ontstaat ergens een knelpunt, dan is er direct sprake van een overschot.

Zie het als een fietsband. Precies vol lucht loopt de band het lekkerst. Nu is er te veel lucht en als je niet oppast, klapt de band. Om dat te voorkomen wordt het ventiel opengedraaid. De eerste weken gebeurde dit door afval op te slaan, maar opslagloodsen van bedrijven als Renewi en Suez zitten inmiddels propvol. Dit komt niet enkel door het AEB-afval. Kort gezegd is de afvalverwerkingsbranche van de regen in de drup beland, want vorig jaar was de sector al in de problemen. Opslagloodsen puilden uit met afval dat lag te wachten op de verbrandingsoven.

Dit had twee oorzaken: China wil sinds januari 2018 ons laagwaardige plastic niet meer verwerken en bij gebrek aan alternatieven gaat dit plastic onder meer de verbrandingsoven in. Daarnaast zorgt de aantrekkende economie ervoor dat mensen en bedrijven meer afval produceren dan waar afvalverwerkers een aantal jaar geleden op rekenden.

Voor de tijdelijke opslag van AEB-afval is dus simpelweg geen plek. Door kleine beetjes te storten, wordt weer even het ventiel opengedraaid, maar die situatie is onhoudbaar. Dus is de branche met het ministerie van infrastructuur en waterstaat op zoek naar een oplossing. Vorige week sprak de sector vrijwel dagelijks met het ministerie, maar zonder resultaat. Welke oplossingen het ministerie overweegt, wil het niet zeggen.

Inmiddels klapt de band bijna: het is de week van de waarheid voor de afvalbranche. Veel uitkomsten zijn er niet. Eén is het tijdelijk opslaan van meer afval. Meer vergunde opslagruimte voorkomt dat er wordt gestort. Eenmaal gestort, wordt later nooit meer verbrand. En dit is slecht voor het milieu. Nu zijn er vergunningen voor de tijdelijke opslag van 600.000 ton afval. Dit mag wettelijk gezien 2,5 miljoen ton zijn. Maar vanwege overlast voor de omgeving en het gevaar dat er ongewild brand uitbreekt, zitten provincies niet te wachten op meer tijdelijke opslag.

Het meest besproken redmiddel is een tijdelijk importplafond voor afval uit het buitenland, een voorstel van de Vereniging Afvalbedrijven. Vanwege een overschot aan capaciteit bij afvalverbranders in het begin van dit decennium, wordt er vooral Brits afval naar Nederland gehaald om te verwerken. Een goede deal, want de Britten betalen en Nederlandse afvalovens draaien maximaal.

Nu klinkt het motto: eigen afval eerst. Er wordt zoveel afval geïmporteerd dat een tijdelijk plafond het landelijke afvalprobleem in één klap zou elimineren. Maar het afkopen van contracten kost geld, dat niemand wil betalen en AEB vanwege financiële problemen niet kan opbrengen. Daarom kijken de afvalbedrijven naar Den Haag. Als het ministerie een tijdelijk importplafond instelt, dan kunnen de afvalbedrijven tegen de Britten zeggen: ‘Sorry, dit is overmacht’, en de contracten verscheuren.

De Vereniging Afvalbedrijven laat weten dat de juridische houdbaarheid van die uitweg nu wordt onderzocht. Hoe de Britten op zo’n kunstgreep reageren is de vraag. In dit land is het afvaloverschot met de naderende Brexit een nog groter probleem dan AEB hier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

x
Mis niet langer het laatste nieuws

Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief.

Inschrijven